BLOG

Over gereedschap en de structuur van een IE-geding

Eerder deze maand (op 13 november 2019) deed de rechtbank den Haag een illustratieve en leerzame uitspraak over het intellectuele eigendomsrecht, in het bijzonder waar het een paar drempels voor bescherming betreft.

Het onderwerp van het geschil was een gereedschapsset, die er aantrekkelijk uit ziet, en die in de rode doos hiernaast zat. De set is in 2011 ontwikkeld door Vibropac. De set dient voor het reinigen en nabewerken van verstuiverboringen. Verstuiverboringen bevinden zich in de cilinderkop van een dieselmotor. Als er een nieuwe verstuiver in een motor geplaatst wordt, dienen de boringen gereinigd te worden om schade aan de motor te voorkomen. Met de gereedschapsset van Vibropac worden deze verstuiverboringen gereinigd door middel van schuren. Voorheen gebeurde dat door middel van frezen. Ten opzichte van frezen heeft schuren als voordeel dat de motor minder snel beschadigd raakt omdat er geen freesrand kan ontstaan. In een nieuwsbrief van 14 november 2011 heeft Vibropac de reinigingsset (typeaanduiding M030602) aangeprezen en afgebeeld en ook promotie gemaakt voor de nabewerkingsset (typeaanduiding M030810). De gereedschapsset van Vibropac wordt sinds januari 2012 verhandeld. Aanvankelijk werd deze aangeboden in plastic zakjes, later in twee aparte rode doosjes (als één set en los verkrijgbaar). Deze doosjes bevatten de reinigingsset en de nabewerkingsset; dmrn ‘de gereedschapsset’.

Hubitools is aanvankelijk distributeur van Vibropac. De distributie-overeenkomst eindigde in maart 2014. Daarna heeft Hubitools tot oktober 2014 producten van Vibropac verkocht, maar niet langer als exclusief distributeur. Hubitools verkoopt sinds oktober 2014 de hiernaast afgebeelde eigen gereedschapsset (in een zwarte doos) voor het schuren van verstuiverboringen..

Bij brief van 1 december 2014 heeft Vibropac Hubitools gesommeerd om – kort gezegd – de verkoop van de Hubitools set te staken omdat daarmee inbreuk werd gemaakt op intellectuele eigendomsrechten op de set van Vibropac. Zo gaat dat dan in de praktijk. Misschien heeft u ook wel eens zo’n brief verstuurd of ontvangen.

De structuur van een IE-geschil/geding

De uitspraak laat mooi iets zien van de structuur van een IE geding. Wanneer je geconfronteerd wordt met twee gelijkende zaken, en de eisende partij stelt dat de gedaagde partij inbreuk maakt (op een IE-recht, maakt niet uit welk), dan zijn er 2 verweren mogelijk: 1) “jij hebt helemaal geen (IE) recht”, en 2) “er is geen inreuk, want ik doe iets heel anders”. Bij het eerste verweer gaat het dat over de materiële en formele eisen van het betreffende IE-recht, waar wel (eiser) of niet (gedaagde) aan is voldaan. Bij het tweede verweer gaat het over de afstand tussen de twee producten of diensten; die is te klein (eiser) of groot genoeg (gedaagde). In de praktijk ga je als eiser heel vaak voor deze twee ankers liggen, en probeer je als gedaagde beide ankers te lichten.

Auteursrecht

Het auteursrecht kent eigenlijk 2 drempels. Auteursrecht heeft een onder drempel van “originaliteit”. Iets wat “triviaal”  of “banaal” is zit onder die drempel. Geen auteursrecht mogelijk. De andere drempel is functionaliteit. Techniek hoort niet thuis in het auteursrecht. De rechtbank zegt het keurig als volgt:

4.5. De rechtbank stelt voorop dat voor auteursrechtelijke bescherming vereist is dat een werk een eigen, oorspronkelijk karakter heeft en het persoonlijk stempel van de maker draagt. Dit betekent dat sprake moet zijn van een vorm die het resultaat is van scheppende menselijke arbeid en dus van creatieve keuzes. Daarbuiten valt in elk geval al hetgeen een vorm heeft die zo banaal of triviaal is, dat daarachter geen creatieve arbeid van welke aard ook valt aan te wijzen. Het HvJEU heeft de maatstaf aldus geformuleerd dat het moet gaan om ‘een eigen intellectuele schepping van de auteur van het werk’5. Het auteursrechtelijk werkbegrip vindt haar begrenzing waar het eigen, oorspronkelijk karakter enkel datgene betreft wat noodzakelijk is voor het verkrijgen van een technisch effect. Elementen van het werk die louter een technisch effect dienen of te zeer het resultaat zijn van een door technische uitgangspunten beperkte keuze, zijn van bescherming uitgesloten. Het feit dat het werk voldoet aan technische en functionele eisen laat onverlet dat de ontwerpmarges of keuzemogelijkheden zodanig kunnen zijn geweest dat voldoende ruimte bestond voor creatieve keuzes van de maker die een werk in auteursrechtelijke zin kunnen opleveren6.

4.6. Vibropac betoogt allereerst dat de selectie en combinatie die zij heeft gemaakt van gereedschappen die in de gereedschapsset zijn opgenomen, een eigen intellectuele schepping is geweest zodat er auteursrecht rust op de gereedschapsset als geheel. Dat betoog wordt van de hand gewezen. De gekozen gereedschappen zijn alle functioneel voor het schuren of schoonmaken van verstuiverboringen. Met de selectie van deze gereedschappen in een set wordt een technisch effect beoogd: het bij elkaar brengen van de gereedschappen die een automonteur nodig heeft om verstuiverboringen optimaal te schuren en te reinigen. Welke vrije, creatieve keuzes de maker bij het combineren van deze gereedschappen heeft gemaakt, valt niet in te zien. Dat er eerder nog geen dergelijke schuurset op de markt was, zoals Vibropac aanvoert, maakt dat de combinatie van gereedschappen voor dit doel misschien wel nieuw en inventief was, maar nog niet dat die combinatie ook het resultaat is van creatieve keuzes. Voor een nieuw, inventief voortbrengsel kan octrooirechtelijke bescherming worden verkregen. Het auteursrecht beschermt een prestatie van een andere aard.

Modelrecht

Het modelrecht stelt als eis dat een voorwerp nieuw moet zijn en een eigen karakter moet hebben. Uitgesloten is hetgeen nodig is voor het bereiken van een technisch effect. Techniek hoort evenmin thuis in het modelrecht. Voor de rechtbank is het dan ook duidelijk:

4.12.  […] Een model wordt geacht een eigen karakter te hebben, indien de algemene indruk die het bij de geïnformeerde gebruiker wekt, verschilt van de algemene indruk die bij die gebruiker wordt gewekt door modellen die vóór de datum waarop het model voor het publiek beschikbaar is gesteld al beschikbaar waren gesteld (het vormgevingserfgoed). […] uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel die uitsluitend door hun technische functie worden bepaald zijn uitgesloten van modelrechtelijke bescherming. De bepaling beoogt te voorkomen dat technologische innovatie wordt gehinderd door de omstandigheid dat uiterlijke kenmerken worden beschermd die uitsluitend door de technische functie van een voortbrengsel worden bepaald. Voor de beoordeling of uiterlijke kenmerken van een voortbrengsel uitsluitend door de technische functie van dat voortbrengsel worden bepaald, moet nagegaan worden of die functie de enige factor is die bepalend was voor die kenmerken. In dit verband is niet doorslaggevend of er alternatieve modellen zijn. Van een eigen karakter is geen sprake wanneer de noodzaak om aan een bepaalde technische functie van het betrokken voortbrengsel te voldoen, de enige factor is waarom de ontwerper voor een bepaald uiterlijk kenmerk van dat voortbrengsel heeft gekozen en andere overwegingen, met name met betrekking tot het visuele aspect van het voortbrengsel, geen rol hebben gespeeld bij de keuze voor dat kenmerk. De rechter dient bij zijn beoordeling rekening te houden met alle relevante objectieve omstandigheden van het specifieke geval.

4.13. Een deel van de gereedschappen in de set was al bekend bij het publiek zodat die gereedschappen in ieder geval niet voor modelrechtelijke bescherming in aanmerking komen omdat ze niet nieuw waren. […] Uit hetgeen is overwogen ten aanzien van het auteursrecht kwam al naar voren dat de modellen grotendeels door technische/functionele vormgevingskeuzes zijn bepaald. Dat er ook enkele andere technische manieren zijn om tot hetzelfde resultaat te komen en er op detailniveau gevarieerd kon worden, is onvoldoende om de gekozen vormgeving een eigen karakter toe te dichten. Waar de ontwerper wel meer keuzevrijheid had, zoals bij de lengte van de cilindrische padhouder of diameter van de pen en het verlengstuk, zijn die keuzes zo banaal dat dat onvoldoende is om het model een eigen karakter te geven. […].

Zgn. “slaafse nabootsing”

Techniek of functionaliteit is tenslotte ook een drempel voor een beroep op zgn. slaafse nabootsing. Als je iets niet anders op de markt kunnen brengen zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid dan mag dat. Ook of zelfs als dat tot verwarring leidt. Alleen “onnodige verwarring” mag niet. Lees de rechtbank:

4.16. Ten aanzien van nabootsing van een stoffelijk product dat niet wordt beschermd door een absoluut recht van intellectuele eigendom, geldt dat nabootsing van dit product in beginsel vrijstaat, zij het dat dit beginsel uitzondering lijdt wanneer door die nabootsing verwarring bij het publiek valt te duchten en de nabootsende concurrent tekortschiet in zijn verplichting om bij dat nabootsen alles te doen wat redelijkerwijs, zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid of bruikbaarheid van zijn product, mogelijk en nodig is om te voorkomen dat door gelijkheid van beide producten gevaar voor verwarring ontstaat. Nabootsing op een wijze die nodeloos verwarring veroorzaakt, is een vorm van oneerlijke mededinging, waartegen met een vordering uit onrechtmatige daad kan worden opgekomen.8

4.17. Gegeven de technische functie van nagenoeg alle uiterlijke kenmerken van de onderdelen van de gereedschapsset, is niet in te zien hoe Vibropac het gestelde verwarringsgevaar zou kunnen vermijden zonder aan de deugdelijkheid en bruikbaarheid van haar producten afbreuk te doen. Daar komt bij dat Vibropac haar product in twee rode koffertjes/doosjes die zijn voorzien van haar merk aanbiedt, waarin de gereedschappen los liggen. Hubitools biedt haar product aan in een zwart koffertje waarin voor ieder gereedschap een uitsparing is vormgegeven. Door deze afwijkende verpakking zal het in aanmerking komende, professionele, publiek niet snel in verwarring raken. Het beroep van Vibropac op slaafse nabootsing wordt daarom verworpen.

Tot slot

De rechtbank trekt de gereedschapsset helemaal in de sfeer van functionaliteit en techniek. Daarmee komen zowel het auteursrecht, als het modelrecht, als de zgn. “slaafse nabootsing” als beschermingsregimes op de tocht te staan. De rechtbank ziet dit zo. Je kunt het ook anders zien. TLG kent beide kanten.

Van Idee naar IE – 5e druk

Gesprek tussen Diederik Donk en Rudi Holzhauer naar aanleiding van het verschijnen (bij Kluwer) op 6 november 2019 van de vijfde druk van zijn leerboek Van idee naar IE.

D. Waar haal je de motivatie, energie en tijd vandaan om zo’n vijfde druk te schrijven?

R. Nou – dat is heel eenvoudig. Ik vind dit gewoon een erg leuk onderdeel in het recht. En als ik mensen (studenten en niet-juristen in de praktijk) daarmee verder kan helpen, of op een spoor kan zetten, dan is dat toch prachtig! Specialisten op IE-gebied weten het allemaal wel. Grote advocatenkantoren ook. Daar doe ik het dus niet voor. Maar de hele rest …. Top!!

D. Je bent nu sinds begin dit jaar aan ons kantoor TLG verbonden. Heeft je dat nog geholpen bij het schrijven van deze vijfde druk?

R. Zeker. Ik word door jullie steeds weer op de praktijk gedrukt. Ik schrijf blogs over jullie praktijkzaken. Die bed ik dan in de theorie. Precies dat wil ik ook in Van idee naar IE. Ik ben en blijf een wetenschapper, maar ik wil mijn kennis en expertise graag delen met de dagelijkse praktijk. En ik wil daar ook op afstemmen.

D. Er zijn allerlei hand- en leerboeken over intellectuele eigendom op de markt. Wat maakt jouw boek Van idee naar IE nu zo bijzonder?

R. Een paar dingen. Deze inleiding op het intellectuele eigendomsrecht houdt als enige het midden tussen een (veel te dik) handboek (voor de praktijk – en meestal niet voor het onderwijs), en een niet-wetenschappelijke tekst. Daarenboven is het de enige inleidende tekst met aandacht voor IE-strategie, en met een uitgebreid voorbeeld hoe alles (door)werkt in de praktijk. Dat is de casus Sanderteg. Uniek is verder ook de wisselwerking tussen geschreven tekst en online informatie, in de vorm van de begeleidende website www.ie-onderwijs.nl. Dat maakt vanuit didaktisch oogpunt tal van leerpaden mogelijk. Er is een toenemend en groeiend belang van IE, in het bijzonder op de domeinen dienstverlening, innovatie en marketing. De tekst is wat ingekort. Accenten zijn op de IE-hoofdrechten gelegd. Updates betreffen niet alleen het IE-recht, maar ook allerlei terminologie die door wet- en regelgever is veranderd en aangepast, meestal naar aanleiding van EU-regels (richtlijnen, verordeningen en rechterlijke uitspraken op EU-niveau). De uitgave combineert (als enige) een wetenschappelijke ondergrond met een praktijk-oriëntering. Er zijn geen noten, maar er zijn voldoende verwijzingen om die ondergrond aan te geven. Verdere toelichtingen staan op de bijbehorende website. Tekst en website zijn volkomen verweven. Aandacht voor IE-strategie en de uitgebreide casus Sanderteg zijn praktijk-onderdelen die in andere inleidingen IE ontbreken.

D. Heb je nou het idee dat ons vakgebied de laatste tijd veranderd is en nog verder zal gaan veranderen? En welke kant gaat het dan volgens jou op?

R. Ja en nee. Al het recht loopt altijd achter op de praktijk en de werkelijkheid. Er zijn veel “ouderwetse” en deels ook achterhaalde concepten. In het auteursrecht is het internet “de grote boosdoener”. In het octrooirecht zien we veel innovaties waarop dat recht “slecht past”. In het merkenrecht is dit jaar echt een inhaalslag gemaakt door allerlei “niet traditionele” (zo heten die dan) merken toe te laten tot merkbescherming. Bijvoorbeeld bewegingsmerken en multimediale merken. Daarvoor moesten ook digitale depots mogelijk worden. Dat kan nu allemaal. In beginsel verandert er weinig. Intellectuele eigendom = IE. Dat blijft. Maar wat je er onder laat vallen, en hoever de bescherming gaat – dat zijn ook rechtspolitieke beslissingen. Die kun je lang niet altijd rationeel volgen. Je kunt ze wel begrijpen, en vertalen naar de situatie van bijvoorbeeld een individuele client.

D. Is die intellectuele eigendom nou niet alleen iets voor marktleiders? Om de kleine concurrenten er onder te houden?

R. Nou nee. Juist niet, zou ik zeggen. Kijk …. De grote farmaceuten zin natuurlijk misbruikers van het octrooisysteem. Dan wordt het maatschappelijk nut van het (octrooi)recht uit het oog verloren. Ik zeg altijd: het IE-recht is er niet (alleen) voor de rechthebbende, maar heeft een marktfunctie. Neem nou de uitvinder van de inkeping in het beschuitje. Gewoon goed idee – octrooi – en dan …. Ja dan moet je je recht “gaan halen”. Maar dat lukt prima, hoor! Ik zie zoveel creatieve ondernemers om me heen … Die zou ik graag wijzen op en helpen met IE-bescherming van hun creatieve prestaties. Kijk ook eens naar de academische ziekenhuizen. Daar zit zoveel kennis en expertise! Dat moet je niet nodeloos laten “weglekken” naar anderen, die er goede sier (en goed geld) mee maken. Er is bij veel kennis-instituten steeds meer aandacht voor  kennis vermarkting.

D. Kun je eens kort aangeven wat er het laatste jaar zoal veranderd is. Verandert er überhaupt nou veel op dit vakgebied?

R. Waar werk jij? Het is verschrikkelijk zoveel als er in één jaar verandert. Als ik nou alleen naar de drie hoofdrechten kijk: auteursrecht, merkenrecht en octrooirecht. In het auteursrecht kregen we het zgn. Copyright Reform Package en de zgn. DSM richtlijn. In het merkenrecht de Trademark Law Reform Package met tal van veranderingen, en in het octrooirecht veranderingen in de uniforme EU rechtspraak, en wat kleinere “aanpassingen”. Ik ga dat hier nu niet allemaal uitleggen. Lees het boekje maar. Of de site www.ie-onderwijs.nl. Een collega van ons zei: alle hand- en leerboeken kunnen de prullenbak in. Zoveel was/is er veranderd! Nou – mijn vijfde druk is in ieder geval bij.

D. Heb je het idee dat de praktijk zich voldoende bewust is van de toegevoegde waarde van IE?

R. Nee. Absoluut niet. Van hoog tot laag ontbreekt het aan awareness. Met “hoog” bedoel ik de boardroom. Ik pleit in mijn vijfde druk voor een CIPO. Wel eens van gehoord? Dacht ik al. Een Chief Intellectual Property Officer. Daar moet echt aan gewerkt worden. Wij gaan toch cursussen organiseren op dat niveau? Edison in the Boardroom, heet dat in de US. Zo moeten we ook onze cursus noemen. Ik heb bij Essent gewerkt, en daar was toen (jaren geleden) absoluut onvoldoende aandacht van het bestuur voor het beschermen en afschermen van innovaties binnen het bedrijf. De toenmalig CEO zei me: we zijn toch geen ingenieursbureau? Dom dom dom. Het latere Duitse moederbedrijf RWE had twee octrooi-mensen. Die beheerde een octrooiportefeuille, en die deden aan awareness binnen het bedrijf. Zo hoort het. En met “laag” bedoel ik al die creatieven in Amsterdam en Rotterdam (ja ja – ook daar buiten ..) die hun creatieve energie omzetten in innovatieve producten en diensten. Ze hebben vaak geen idee van de kracht (en marktmacht) van IE-bescherming. Je ziet dat de KvK en RVO daar nu ook aandacht voor vragen met voorlichting en cursussen, vanuit “de overheid”. Maar wij vanuit TLG moeten dat ook veel meer doen. Cursussen geven voor klanten, prospects en buitenstaanders. Inspirerende verhalen vertellen. Ik ben inzetbaar!

D. Rudi. Ik wist dat we een energiek persoon binnenhaalden! Kijk nou eens vooruit. Waar gaat IE heen de komende jaren?

R. Naar steeds meer samenloop. Naar steeds minder “fysiek”. Naar steeds meer aandacht voor het belang van creatieve prestaties (denk aan apps, business methods, marketing en technische innovaties), maar ook aan het belang van “sharing”, van het delen van al die zaken om win-win situaties te creëren (denk aan Tesla, die veel innovaties “weggeeft” om er gezamenlijk op vooruit te gaan). Die “industrietak” groeit. Zonder CO2 uitstoot …. Motto: wij weten meer dan ik. Om dat handen en voeten te geven in het IE-recht – dat is een prachtige uitdaging voor mij! Op naar de zesde druk!

IE-strategie – uitdagingen voor een groei-onderneming

Gebruik maken van IE is een keuze en geen verplichting. De keuze voor IE hangt vaak samen met de wijze waarop je tegen innovatie aankijkt en welke mogelijkheden je hebt om je producten te beschermen en in de markt te zetten (businessmodel). De keuze voor het gebruik van intellectueel eigendomsrecht speelt in een rol in verschillende fase van het proces van het ontwikkelen van een product. Ik zal daar in de komende tijd in een aantal blogs over IE-strategie op in gaan.

Wanneer er gekozen is om het product te beschermen door middel van IE-rechten moet worden bepaald welk IE-recht of welke IE-rechten het beste in staat zijn het product te beschermen. Bij het ontwikkelen van een beschermingsstrategie speelt niet alleen de keuze voor een bepaald IE-recht, of voor een combinatie van IE-rechten een rol maar ook de vraag in welke landen je bescherming wil en tegen welke prijs. Deze keuzes hebben betrekking op het geografische gebied en de kosten van bescherming. Dat zijn bij octrooi-, merken- en modelrecht (en bij alle andere industriële eigendomsrechten) onderdelen van een zogenoemde depotstrategie. Tot slot kunnen anderen (derden) op allerlei manieren betrokken zijn bij jouw IE-strategie.

Deze blog gaat over risico’s en valkuilen (lees: uitdagingen) voor een groei-onderneming. Commercieel gezien is het fijn om de eerste te zijn, de enige te zijn, de grootste te zijn en dat te blijven. In het IE-recht kan dat nu juist problemen geven.

Auteursrecht

In het auteursrecht is er de zgn. trendsetter/mode-valkuil. Dat betekent het volgende. Beschermde vormgevingselementen van een trendsetter kunnen verworden tot een stijl. Denk aan het swatch-horloge, de kubus van Rubik en de Tripp Trapp kinderstoel. Navolgers maken dan niet zozeer een bepaald (jouw) werk na, maar ze volgen een trend of een mode die jij met je baanbrekende ontwerp bent begonnen. Als zoiets gebeurt, kun jij je niet meer beroepen op je auteursrecht, want het volgen van een trend of een mode is immers vrij. Vanuit een juridisch oogpunt kun je dus beter geen trendsetter worden.

Merkenrecht

In het merkenrecht is er de valkuil van verwording tot soortaanduiding. Ook hier: als je heel erg onderscheidend (uniek) bent met een nieuw product of een nieuwe dienst, waar op het moment van introductie dus nog geen soortnaam voor bestaat, dat loop je het risico dat ‘het publiek’ (consumenten, afnemers) niet beter weet dan om elk soortgelijk product of dienst met jouw (merk)benaming te gaan aanduiden. Denk aan merken als Solex, Walkman, Aspirine, Luxaflex en Spa-rood. Als merkhouder kun je dit risico verkleinen door meteen bij introductie zelf een soortnaam te verzinnen, en die toe te voegen. Dus: Solex-bromfiets, Walkman-draagbare cassettespeler, Aspirine-pijnstiller, Luxaflex-zonwering, Spa-bronwater etc. Verword dus niet tot soortaanduiding!

Octrooirecht

In het octrooirecht is er in zekere mate de valkuil van de dwanglicenties. Een verstrekkend productmonopolie leidt onvermijdelijk tot een hele range van dwanglicenties. Zo is er de valkuil van ‘onvoldoende toepassing’. Als jij jouw geoctrooieerde uitvinding onvoldoende toepast (exploiteert), terwijl daar wel een (markt) behoefte voor bestaat, dan mogen anderen jouw uitvinding ook gaan toepassen. Ten tweede is er de valkuil van ‘afhankelijkheid’. Wanneer het gebruik van een geoctrooieerde uitvinding noodzakelijk is om een latere uitvinding toe te passen moet jij voor dat gebruik aan de latere octrooihouder een licentie verlenen. Hoe sterker en meeromvattend een octrooi is des te meer zal een octrooihouder geconfronteerd worden met deze ‘valkuilen’. Dat heet dan in vaktaal: dat de houder een standaard-essentieel octrooi (SEP), aan derden licenties moet verlenen onder FRAND-condities (Fair, Reasonable and Non-Discriminatory), dat wil zeggen onder voorwaarden die eerlijk, redelijk en niet-discriminerend zijn. In de praktijk vallen de valkuilen overigens wel mee, omdat er tegenover een dwanglicentie wel altijd een vergoeding staat.

Onrechtmatige daadsrecht

In het onrechtmatige daads-recht van de slaafse nabootsing is er de standaardisatie-valkuil. Dat betekent dat je zo succesvol bent geworden dat jouw product of prestatie in de markt als standaard gaat gelden. En een standaard is vrij. Andere producenten mogen jouw product (exact) namaken als de markt daar via een standaardisatiebehoefte om vraagt. Denk aan steigermateriaal dat op elkaar moet passen; aannemers en bouwers willen geen 6 soorten steigers en koppelingen. Denk ook aan Lego. Kinderen willen blokjes die op Lego passen. Als je marktleider bent geworden in steigermateriaal of constructiespeelgoed dan mogen anderen producten (exact na)maken die aansluiten bij of passen op jouw product. Dat is dan niet onrechtmatig als ‘slaafse nabootsing’. Wordt dus geen standaard!

Mededingingsrecht

En ten slotte is er dan nog het mededingingsrecht. Als je een (te) groot marktaandeel hebt is er de misbruik-valkuil. Je mag gerust een groot marktaandeel hebben, ‘de grootste zijn’ en je mag zelfs een ‘machtspositie’ hebben. Maar je mag geen misbruik maken van zo’n machtspositie. Dat kan bijvoorbeeld gebeuren met een farmaceutische industrie door de manier waarop zij met het op de markt brengen van medicijnen omgaat, maar ook met een onderneming als Microsoft door de manier waarop zij haar besturingssystemen in de markt zet en met browserkeuze omgaat. Pas dus op voor machtsmisbruik!

De IE-sectie van TLG helpt je graag (verder) bij je IE-strategie.

Bron: R.W. Holzhauer en S.L. Gellaerts, Van idee naar IE, 5e druk, Kluwer 2019.

 

 

Wegwijzer digitale innovaties – neem nou: apps

Deze blog schrijf ik naar aanleiding van een artikel in het tijdschrift Computerrecht (2019/2) van mijn Rotterdamse oud-collega’s Helen Gubby en Cees van Noortwijk, samen met Jos Klaus (IE en technologie-advocaat van BarentsKrans). Die publicatie werd voorafgegaan door een blogbericht van Jos Klaus en een masterclass over dit onderwerp in november 2017. Een tweede aanleiding is een aanpassing in de 5e druk van het leerboek Van idee naar IE, waar onder de kop: “Goed idee, lastig IE” een paragraaf over “digitale innovaties” en de inpassing daarvan in het IE-recht is opgenomen. Onderaan dit blogbericht staan links naar een aantal nieuwe en wat oudere bronnen, als ook naar het gehele artikel in Computerrecht.

Lees verder

Werknemer persoonlijk aansprakelijk voor ruim € 7 ton aan boedelschuld

Wat is er gebeurd?

Normaal gesproken kan een werknemer niet aansprakelijk worden gesteld voor schulden die de onderneming – waar hij of zij werkzaam voor is – heeft gemaakt. Er bestaan echter wel uitzonderingen op deze regel. Zo heeft het Gerechtshof Amsterdam[1]geoordeeld dat een werknemer wel aansprakelijk is voor de schulden van een inmiddels failliete B.V.

Volgens de rechter is de werknemer de feitelijk beleidsbepaler van de B.V. geweest, omdat deze werknemer zich zeer intensief met het bestuur van de betrokken vennootschappen bemoeide. De “katvanger”, de statutair bestuurder, deed niet veel meer dan de post ophalen, wat administratieve werkzaamheden en het ondertekenen van documenten. Deze formeel aangestelde bestuurder liet zich door de werknemer opzij zetten en zodoende kon de feitelijk beleidsbepaler volledig zijn eigen gang gaan. Dit bleek onder meer uit het gegeven dat de werknemer alle afspraken met derden maakte zonder ooit het voorbehoud te maken dat de statutair bestuurder nog akkoord moest geven.

Daarnaast was de feitelijk beleidsbepaler het aanspreekpunt van de overige werknemers en als de statutair bestuurder een keer tegenstemde, dan agendeerde de feitelijk beleidsbepaler direct het niet-betalen van het salaris van de bestuurder voor die week.

Samenvattend concludeert het gerechtshof dat de werknemer niet incidenteel, maar doorlopend, de onderneming vertegenwoordigde en zijn beslissingen over de gang van zaken op alle terreinen doorvoerde, met terzijdestelling van de bestuurder. Al met al bevestigt het hof de uitspraak van de rechtbank en wordt de “werknemer” veroordeeld tot betaling van het volledige tekort in de faillissementen van meerdere ondernemingen, begroot op een bedrag van EUR 701.257.

Wat betekent dit voor jou?

Dat je te allen tijde waakzaam moet zijn en bedacht op welke rol je binnen een onderneming vertolkt. Bij enige twijfel is het altijd verstandig juridisch advies in te winnen. Een duidelijke en op schrift gestelde taakverdeling met bijbehorende rechten plichten kan veel problemen voorkomen.

De advocaten van The Legal Group kunnen je adviseren en begeleiden bij jouw rol als aandeelhouder, bestuurder, commissaris en/of werknemer van een onderneming. Mocht je hier een vraag over hebben, stuur dan voor meer informatie een e-mail naar jeroen@thelegalgroup.nl of bel naar 020 – 379 23 21.

 

[1]Gerechtshof Amsterdam, 27-06-2017, ECLI:NL:GHAMS:2017:2551

Waarom kan je na een scheiding niet zomaar intrekken in je eigen huis?

TLG. Makes Legal Simple.

Wat is er aan de hand?

Een vader is gescheiden en mocht niet meer in het echtelijk huis wonen. Geen probleem dacht hij waarschijnlijk, want hij is nog steeds eigenaar van een huis in Amsterdam dat alleen nog wel is verhuurd. De vader doet daarom een beroep op (i) ontbinding op grond van onvoorziene omstandigheden en (ii) dringend eigen gebruik[1].

De rechtbank en het hof gaan niet mee in het betoog van de voormalig echtgenoot. De vordering tot ontbinding strandt, omdat een echtscheiding niet geldt als een onvoorziene omstandigheid. De scheiding komt voor rekening van de vader, aldus blijkbaar de huidige opvatting in onze maatschappij.

Het beroep op dringend eigen gebruik slaagt ook niet, omdat de huidige huurders geen andere passende woonruimte in Amsterdam kunnen krijgen.

Het is simpel:

De bescherming van huurders gaat vrij ver in Nederland. Naar mijn mening zou de weegschaal tussen het meest omvattende recht – het eigendomsrecht – en de huurbescherming, wat meer in het voordeel van de eigenaar mogen uitvallen. Mocht je ook een vraag hebben over vastgoed, stuur dan voor meer informatie een e-mail naar jeroen@thelegalgroup.nl of bel naar 020 – 379 23 21.

 

[1]https://uitspraken.rechtspraak.nl/inziendocument?id=ECLI:NL:GHAMS:2018:2046