Alcohol- en drugsbeleid: één beleid, twee werelden?
Het bekende alcohol- en drugsbeleid. Een beleid dat vrijwel elke werkgever heeft, maar dat in de praktijk niet zo zwart-wit is als het lijkt. De twee ‘genotsmiddelen’ worden vaak in één adem genoemd, maar is dat eigenlijk wel terecht? Van alcohol zou gezegd kunnen worden dat dit maatschappelijk meer geaccepteerd wordt, mits met mate en op de juiste momenten: een biertje bij de vrijdagmiddagborrel, een glas wijn bij de zakenlunch. Drugs daarentegen kent die maatschappelijke acceptatie niet, althans aanzienlijk minder. Toch hanteren veel werkgevers één overkoepelend beleid met het etiket “zero tolerance”. Recente rechtspraak roept de vraag op of beide zaken niet tóch losgekoppeld dienen te worden als het gaat om beleid.
Het Gerechtshof Amsterdam maakte dit spanningsveld expliciet. Een werknemer die een joint opstak tijdens een Teams-vergadering verweerde zich met het argument dat er bij zakenlunches ook weleens een biertje werd gedronken zonder gevolgen. Het hof ging daar niet in mee: de maatschappelijke aanvaardbaarheid van alcohol is anders dan die van drugs.
Precies daar lijkt het in de praktijk te wringen. Bij een vrachtwagenchauffeur die positief testte op cannabis oordeelde de Rechtbank Rotterdam dat de werkgever weliswaar zero tolerance claimde, maar dat het eigen beleid een gefaseerd traject voorschreef. Van een kenbaar zero tolerance beleid met duidelijke sancties was geen sprake.
Dat wil niet zeggen dat een ontslag nooit standhoudt. Een woonbegeleider van het COA die de hele dag excessief dronk tijdens een uitje met zijn cliënten werd terecht op staande voet ontslagen. De ernst was simpelweg te groot. Interessant was het verweer van de woonbegeleider, omdat hij erop wees dat een collega tijdens datzelfde uitje ook een alcoholhoudend drankje had gedronken zonder daarvoor te worden gesanctioneerd. De kantonrechter maakte daar korte metten mee. Het drinken van één drankje vond hij niet vergelijkbaar met de mate waarin de woonbegeleider alcohol had gedronken.
Het verweer raakt wel een kernprobleem. Als alcohol in bepaalde situaties wordt getolereerd, creëert dat een grijsgebied ten aanzien van het zero tolerance beleid. Wat nu als er in een zero tolerance beleid geen onderscheid wordt gemaakt tussen alcohol en drugs en/of gebruik ‘met mate’, maar alcohol in de praktijk wel wordt gedoogd? Gaat zero tolerance voor drugs dan nog wel onverkort op?
Het verweer van de woonbegeleider dat een collega ook gewoon een wijntje dronk, laat zien dat nauwkeurigheid in het zero tolerance beleid van belang is. Wellicht is de vrijdagmiddagborrel traditie en wordt er tijdens het kerstdiner wijn geschonken. In dat geval kan het weleens goed zijn om het alcohol- en drugsbeleid toch nog eens onder de loep te nemen en wellicht explicieter te onderscheiden. Want als de borrel en het beleid op papier elkaar tegenspreken, dan kan het zomaar de werkgever zijn die aan het kortste eind trekt.
Advies bij beleidskwesties? Neem gerust contact met ons op. Wij denken graag met je mee over een praktisch én juridisch houdbaar beleid.