Als werken en merken iconen worden (1) – neem nou Nijntje

Bekendheid pakt lang niet altijd gunstig uit voor een werk of een merk. Helemaal los van de vraag of dan wel in hoeverre een bepaalde creatieve of communicatieve uiting geprivatiseerd mag worden dan wel in het publiek domein valt of dient te vallen kan een werk of een merk dat “klein begint”, maar “groter groeit” daardoor waar het de bescherming betreft in allerlei problemen terecht komen. Ik heb het over de IE-variant van het gezegde: “Hoge bomen vangen veel wind” – grote werken/merken vangen veel navolging.

Deze blog gaat over Nijntje, en een Chinese adaptator van “het wezen van het werk”. Nijntje is een werk van Dick Bruna. Het is ook een icoon. En dat icoon wordt – zoals veel iconen – op allerlei manieren “gebruikt”, die op gespannen voet staan met IE-rechten.

Beperkingen van het auteursrecht – de parodie

Het auteursrecht is het IE-recht met misschien wel de meeste wettelijke beperkingen. Ik ga ze hier niet uitvoerig bespreken, want iedereen “kent ze wel”. Nijntje mag je citeren. Sinds een aantal jaren zijn ook een parodie en een pastiche wettelijk erkend als gebruiks-opties van het werk van een ander. Maar dat moet natuurlijk wel “in het nette”. Een pornografische versie van Suske en Wiske lag lastig. Wat is een parodie? En waar liggen de grenzen? Het is een open norm.

Iedere ontwikkeling is pas met haar parodie voltooid. (Sören Kierkegaard)

Nijntje maakt wat parodieën mee

Een tijdje geleden alweer probeerde de auteursrechthebbende (uitgever Mercis) om 7 afbeeldingen op internet te verbieden, waarin Nijntje  wordt geassocieerd met drugs, hard core muziek, geweld en terrorisme. De rechtbank verbood (in 2009) twee afbeeldingen (waaronder “Nijn – eleven”) en achtte er vijf toelaatbaar geacht. Die vijf toelaatbare afbeeldingen werden gezien als een geoorloofde parodie, vanwege de humoristische bedoeling, het ontbreken van een concurrentie oogmerk en de afwezigheid van verwarring. De andere twee afbeeldingen namen te weinig afstand van het woord- en beeldmerk Nijntje en waren daarom niet geoorloofd; er was sprake van merkinbreuk.

In hoger beroep oordeelde het gerechtshof in Amsterdam (in 2011) dat alle 7 afbeeldingen toelaatbaar zijn omdat ze alle onmiskenbaar bedoeld zijn om de lachlust op te wekken. Allemaal vielen ze dus onder de parodie exceptie van artikel 18b Auteurswet en waren geen inbreuk op het (door Bruna overgedragen) auteursrecht van Mercis. En … de geoorloofdheid van de parodie maakt meteen ook dat er geen sprake is van een aantasting van persoonlijkheidsrechten. En… ook in merkenrechtelijke zin zijn de afbeeldingen volgens het hof als toelaatbare parodieën aan te merken. Gezien de humoristische bedoeling, het ontbreken van concurrentiemotieven, de genomen afstand tot het woord-  en beeldmerk Nijntje en de afwezigheid van verwarringsgevaar is er volgens het hof sprake van een “geldige reden” voor het gebruik van Nijntje anders dan als merk. Over merk-parodieën schrijf ik nog een volgende blog.

Ten principale wil ik nog twee andere invalshoeken aanbrengen: appropriation art en de rol en betekenis van het publiek domein.

Appropriation Art

“Appropriation art” is een kunstvorm waarbij een kunstenaar bestaande beelden of objecten gebruikt, en aan deze beelden of objecten een nieuwe betekenis geeft of deze in een nieuwe context plaatst. Het overnemen van essentiële onderdelen van bestaande kunstwerken is in deze kunststroming dan ook schering en inslag.

De “eerdere kunstenaars” zijn hier vaak niet gelukkig mee en klagen over een inbreuk op hun auteursrechten. De “appropriation artists” menen dan weer dat hun kunstvorm niet goed wordt begrepen en helemaal geen inbreuk op het auteursrecht is. Inspiratie versus plagiaat perspectief en de grens tussen IE-recht en (o.a.) expressievrijheid.

Bekende voorbeelden van “appropriation artists” zijn Marcel Duchamp, Roy Lichtenstein, Andy Warhol, Robert Rauschenberg, enz. Meer recente namen zijn bijvoorbeeld Richard Prince, Jeff Koons, Sherrie Levine, Damian Loeb, Christian Marclay en (dichter bij huis) Luc Tuymans en Rob Scholte.

Publiek domein

De maker van de Nijntje-als-eend afbeeldingen blijft ongetwijfeld erg dicht bij Bruna’s Nijntje. Enerzijds moet dat ook om van een parodie te kunnen spreken. Er moet herkenning zijn en een verband gelegd (kunnen) worden. Anderzijds zijn er natuurlijk de boven weergegeven afwegingen voor parodieën.

De hoogleraar, die de naam Feng Feng zou hebben en tevens werkzaam zou zijn aan de Guangzhou Academy of Fine Arts, gaat veel verder in zijn opvattingen. Voor hem is er sprake van een publiek domein. Niet alleen iconen, maar “alle commerciële symbolen die we kennen, behoren tot de publieke kennis en informatie’’, zou hij op internet hebben laten weten. Elk werk is als een woord in de taal.

Dat zet het auteursrecht natuurlijk behoorlijk op afstand. Voor werken en merken die als “iconen” gezien kunnen en mogen worden, is er wel wat voor te zeggen. In IE-terminologie: zulke werken “verwateren” en zulke merken “verworden tot soort-aanduiding”. En komen langs die wegen in het publieke domein terecht. Dat is keurig IE-intern gedacht. Het kan ook anders.

FengFeng verwijst namelijk ook naar Wittgenstein, en diens eend-konijn filosofische perspectief. Dat stamt al uit 1892. Het zet voor mij meteen ook een groot vraagteken bij elk idee van “originaliteit” waar het auteursrecht het van moet hebben. Ik kom daar nog wel eens op terug.

Het eend-konijnbeeld hiernaast is een van de meest iconische in de filosofie.

De Oostenrijkse filosoof Ludwig Wittgenstein gebruikte in zijn Philosophishe Untersuchungen (1953) een eend-konijn-afbeelding om te illustreren wat filosofen noemen aspect perceptie. Het beeld kan op twee manieren worden bekeken – als een eend of als een konijn. De meesten van ons kunnen naar believen heen en weer schakelen tussen deze twee manieren om het te zien. We zouden kunnen zeggen: “Nu is het een eend, en nu is het een konijn.” Je neemt ‘waar’ wat je verwacht te zien. En hoe check je het verschil tussen wat je waar-neemt en de werkelijkheid? Heel interessant ook in de toepassing op merkbeleving. Lees hier maar alvast. Wordt een volgende blog ….

Vanuit deze perspectieven: appropriation art en publiek domein, kun je ook kijken naar het handelen van in casu FengFeng (en naar allerlei andere IE-situaties zoals rondom Suske & Wiske, Darfurnica en die Buckler-lul). Ten opzichte van het auteursrecht (en elk ander IE-recht) neem je dan natuurlijk een meta-standpunt in. Omdat er misschien toch ook andere en belangrijker perspectieven zijn dan IE.

Bronnen:

  • The Public Domain, Enclosing the Commons of the Mind, James Boyle, Yale University Press 2008
  • Inspiratie of plagiaat? De grens tussen auteursrecht en expressievrijheid, Bart van Besien (Belgisch advocaat), website finniancolumba,10 september 2015 (met voorbeelden en verdere verwijzingen, waaronder naar het Deckmyn-arrest van het HvJEU; Deckmyn t. Vandersteen, 3 september 2014, C-201/13)
  • Waar ligt de grens op het gebied van het kopiëren in de Dada, Pop Art en Appropriation Art? Mariska Gerritsen, scriptie kunstgeschiedenis, Fontys 2014 (36 blz. in pdf-formaat)
  • Kunst en IE-rechten – over Appropriation Art en stijlbescherming, Quirijn Meijnen, DeLex symposium 27 maart 2014 (slideshare)
  • Understanding Ludwig Wittgenstein’s Duck-Rabbit, Colin McGinn, website simplycharly, 26 september 2020 
  • Zie je een eend of een konijn: wat is aspect perceptie precies? Stephen Law, website InnerSelf