Proceskosten na een onthoudingsverklaring: waarom te laat toegeven duur kan uitpakken
In intellectuele eigendomsgeschillen zien wij het regelmatig gebeuren, een partij wordt aangesproken op inbreuk, wacht af en tekent pas na dagvaarding een onthoudingsverklaring. De zaak lijkt daarmee opgelost, maar niets is minder waar.
In een recente zaak bij de rechtbank Den Haag, waarin wij optraden namens onze cliënt tegen PetsPlace, stond dit scenario centraal. Ondanks meerdere sommaties om de merkinbreuk te staken en de schade te vergoeden en meerdere herinneringen bleef een inhoudelijke reactie aanvankelijk uit. Pas nadat het kort geding aanhangig was gemaakt, kwam PetsPlace in beweging en werd een onthoudingsverklaring ondertekend. Daarmee verdween het inhoudelijke geschil naar de achtergrond, maar één belangrijk punt bleef overeind, wie draait op voor de proceskosten?
De voorzieningenrechter sloot in deze zaak aan bij vaste rechtspraak van de Hoge Raad. Wie pas ná het starten van een procedure volledig tegemoetkomt aan de vorderingen, kan als de in het ongelijk gestelde partij worden aangemerkt. Met andere woorden, ook zonder inhoudelijk vonnis ten aanzien van de inbreuk kan je juridisch “verliezen”. Dat uitgangspunt weegt extra zwaar in intellectuele eigendomszaken. Anders dan in reguliere procedures, waar een beperkt(er) liquidatietarief geldt, is hier het uitgangspunt dat conform artikel 1019h Rv de in het ongelijk gestelde partij wordt veroordeeld in de (redelijke en evenredige) door de wederpartij gemaakte proceskosten.
In deze zaak speelde met name het voortraject een doorslaggevende rol. Er waren meerdere sommaties verstuurd waarop geen (voldoende) reactie volgde. De kosten van het kort geding waren daardoor al gemaakt voordat PetsPlace alsnog overging tot het ondertekenen en versturen van de onthoudingsverklaring. Voor de rechter was dat reden om te oordelen dat de procedure terecht was gestart en dat de kosten aan PetsPlace moesten worden toegerekend. Dat de inbreuk volgens PetsPlace al eerder zou zijn gestaakt, maakte dit niet anders. Dit werd namelijk pas vlak voor de zitting kenbaar gemaakt, terwijl bovendien iedere zekerheid ontbrak dat de inbreuk ook daadwerkelijk gestaakt zou blijven zolang geen onthoudingsverklaring was ondertekend.
De praktische les is duidelijk. Niet zozeer de vraag óf je uiteindelijk bereid bent om de inbreuk te staken en een onthoudingsverklaring te ondertekenen, maar vooral wanneer je dat doet, bepaalt de uitkomst. Wie pas na dagvaarding in beweging komt, loopt een reëel risico om alsnog als verliezende partij te worden aangemerkt, met een proceskostenveroordeling tot gevolg.
Voor ondernemers betekent dit dat afwachten zelden een goede strategie is. Tijdig reageren op een sommatie, actief communiceren en – waar nodig – snel maatregelen nemen, kan het verschil maken.