Ook in spoedgevallen
jouw New Legal partner.
Spoednummer: 06-51 94 11 54
TLG – Kantoor AMSTERDAM

TLG – Kantoor AMSTERDAM

De Lairessestraat 107
1071 NX Amsterdam

TLG – Kantoor Den Haag

TLG – Kantoor Den Haag

Badhuisweg 84
2587 CL Den Haag

TLG – Kantoor Rotterdam

TLG – Kantoor Rotterdam

Veerkade 1
3016 DE Rotterdam

Auteur: Diederik Donk Gelezen: 52

Lil Kleine vs. Moszkowicz: het vonnis en hoger beroep

Op 28 oktober 2026 deed de Rechtbank Amsterdam uitspraak in een civiele procedure tussen een bekende Nederlandse artiest en zijn voormalige management en advocaat. De zaak draait om de vraag of de vergoeding die het managementbureau bij een grote muziekdistributiedeal naar zich toe trok, rechtmatig was.

De feiten

Vanaf 2013 tot februari 2023 werd de artiest bijgestaan door een managementbureau dat alle organisatorische, commerciële en administratieve zaken rond zijn carrière verzorgde. De geldstromen uit deals liepen via een speciaal daarvoor opgerichte stichting, waarvan de manager en de advocaat van de artiest samen het bestuur vormden. De advocaat verleende daarnaast juridische bijstand vanuit een advocatenmaatschap.

Op 1 oktober 2021 sloot de artiest een exclusieve distributieovereenkomst met een groot platenlabel, met een totale contractwaarde van drie miljoen euro, verdeeld over meerdere tranches die afhankelijk waren van het aanleveren van muziekopnamen. De eerste tranche van één miljoen euro werd kort na ondertekening betaald aan de stichting. Daarvan werd 450.000 euro — vijftien procent van de totale contractwaarde van drie miljoen euro — direct doorbetaald aan het managementbureau. Het restant van 550.000 euro ging naar de vennootschap van de artiest. De artiest stelde dat deze verdeling zonder zijn toestemming of medeweten had plaatsgevonden en dat de vergoeding had moeten worden berekend over de netto-opbrengsten in plaats van over de bruto-contractwaarde.

De rechtsvragen

De rechtbank diende zich te buigen over onder andere de volgende vragen. Ten eerste: hebben gedaagden onrechtmatig gehandeld door de overboeking van 450.000 euro? Ten tweede: kon de artiest zich beroepen op dwaling bij het aangaan van de overeenkomst? Ten derde: rechtvaardigden onvoorziene omstandigheden of de redelijkheid en billijkheid een wijziging van de overeenkomst?

De beslissingen

Op de vraag — het gestelde onrechtmatige handelen — oordeelde de rechtbank dat van een onrechtmatige daad geen sprake was. De rechtbank overwoog dat het geschil in essentie een verschil van mening betreft over de uitleg van de managementovereenkomst: de artiest meende dat vijftien procent over de netto-opbrengsten was overeengekomen, terwijl de gedaagden stelden dat vijftien procent over de bruto-contractwaarde was afgesproken. Een dergelijk interpretatiegeschil levert naar het oordeel van de rechtbank op zichzelf geen onrechtmatige daad of schending van een zorgplicht op.

Dat voor de overboeking aan het management toestemming van de artiest nodig was, achtte de rechtbank niet gebleken. Het verwijt van belangenverstrengeling werd eveneens verworpen: het enkele feit dat de manager bestuurder en de advocaat indirect aandeelhouder was van de stichting die de gelden beheerde, brengt naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer een tegenstrijdig belang mee.

De subsidiaire vorderingen werden eveneens afgewezen. Het beroep op dwaling faalde omdat onvoldoende feiten waren gesteld waaruit bleek dat de artiest bij het sluiten van de overeenkomst van een onjuiste voorstelling van zaken was uitgegaan. Het beroep op onvoorziene omstandigheden werd afgewezen omdat niet was onderbouwd dat het sluiten van een distributieovereenkomst destijds onvoorzienbaar was, en omdat gedaagden onweersproken hadden gesteld dat de artiest was geïnformeerd dat bij deze deal een hoger voorschot en een hoger royaltypercentage tegenover de hogere eigen kosten stonden. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid werd met een summiere motivering verworpen wegens onvoldoende onderbouwing.

Betekenis van het vonnis

Het vonnis illustreert een terugkerend thema in geschillen binnen de entertainmentbranche: de spanning tussen informele, mondeling gesloten managementovereenkomsten en de juridische vereisten die aan de onderbouwing van vorderingen worden gesteld. De rechtbank liet de materiële kernvraag, de uitleg van de vergoedingsafspraak echter onbeoordeeld, zodat deze vraag in hoger beroep nogmaals aan de rechter zal worden voorgelegd.